Skip to: SGP

Stem voor kinderen website

SGP

  • Armoede

    “30. Het eerste jaar is voor de hechting van een kind aan de ouders van enorm belang. Daarom moet voor kinderen tot de leeftijd van één jaar in beginsel geen recht bestaan op kinderopvangtoeslag. De financiële ondersteuning van ouders in het eerste jaar wordt in verband daarmee versterkt.”

    “33. Gemeenten verdienen voldoende ruimte om gezinnen in armoede te helpen vanuit de bijzondere bijstand. Financiële ondersteuning vanuit kerken en maatschappelijke organisaties moet niet direct en volledig verrekend worden met de uitkering.”

    “645. De SGP vindt het belangrijk dat er ook op de eilanden bij de aanpak van (jeugd)problemen goed wordt samengewerkt met de plaatselijke kerken. Ondersteuning van gezinnen en samenwerking met de kerken in de strijd tegen armoede is belangrijk.”

  • Jeugdzorg

    “51. Het aantal jongeren dat in gesloten jeugdzorg verblijft, dient zoveel mogelijk beperkt te worden.”

    “166. De decentralisaties in het sociaal domein hebben voor veel extra bureaucratie gezorgd. Het inkoopproces en de verantwoording van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp worden verder gestandaardiseerd, met behoud van inhoudelijke beleidsvrijheid van gemeenten.”

    “258. Huisartsen hebben de afgelopen jaren de consequenties ervaren van de wachtlijsten voor verpleeghuizen en in de ggz en jeugdzorg. Zij moeten voor méér kwetsbare mensen zorgen en de zorgvraag wordt intensiever. Het aanpakken van problemen in andere zorgsectoren kan de druk op huisartsen verlichten. Tegelijkertijd is het nodig om huisartsen meer tijd en ruimte te geven voor de hulp aan kwetsbare cliënten.”

    “268. Gemeenten hebben voldoende budget nodig om zorg en ondersteuning voor jongeren vorm te geven. Bij veel gemeenten hangt de jeugdzorg financieel gezien als een molensteen om de nek, wat hen belemmert om de transformatie van de jeugdhulp vorm te geven. De SGP vindt dat gemeenten financieel gecompenseerd moeten worden door het Rijk.”

    “269. Tegelijkertijd is het nodig dat gemeenten het jeugdhulpstelsel doelmatiger en doeltreffender inrichten zodat zij de vraag naar hulp en ondersteuning weer onder controle krijgen. Dit vraagt om een duidelijke visie, consistent beleid en soms scherpe(re) keuzes van gemeenten.”

    “270. Gemeenten moeten vooral wat doen aan de vraag naar lichte vormen van jeugdhulp. De SGP vindt het niet zinvol om een wettelijke begrenzing van de jeugdhulpplicht in te voeren. Gemeenten zouden bijvoorbeeld meer werk kunnen maken van het versterken van de eigen kracht en regie van jongeren en hun sociale netwerk. Ook is nodig dat gemeenten veel strikter afbakenen wat zij als jeugdhulp zien en wat niet. Niet elke opvoedvraag hoeft uit te monden in een intensief hulptraject. De Rijksoverheid maakt daarom bestuurlijke afspraken met gemeenten om het aanbod van lichtere jeugdzorg te beperken, zodat er meer budget overblijft voor complexere jeugdzorg.”

    “271. Op regionaal, bovenregionaal en landelijk niveau moet voldoende specialistische jeugdhulp aanwezig zijn. De SGP wil dat ‘Den Haag’, jeugdzorgregio´s, de regionale expertisecentra, zorgaanbieders en gemeenten hierover bindende en eenduidige afspraken maken. De (wettelijke) voorwaarden die de regering stelt aan een stabiel regionaal aanbod van specialistische jeugdzorg, mogen geen afbreuk te doen aan de beleidsvrijheid en democratische legitimiteit van gemeenten. Jeugdhulp is en blijft immers decentraal georganiseerd.”

    “272. De decentralisatie van de jeugdhulp heeft geleid tot een versnippering in het zorglandschap en enorme stijging van de administratieve lastendruk. Gemeenten en zorgaanbieders moeten daarom gebruik gaan maken van dezelfde inkoop- en verantwoordingseisen. Regionaal worden afspraken gemaakt om samenwerking tussen jeugdhulpaanbieders te bevorderen.”

    “273. Niet de leeftijd, maar ‘zelfstandigheid’ moet het criterium zijn om de jeugdzorg te verlaten. Veel jongeren die 18 jaar worden, kunnen nog wel wat hulp en ondersteuning gebruiken als opmaat naar hun volwassenheid. De SGP wil daarom dat de harde leeftijdsgrens verdwijnt en een vorm van ‘verlengde jeugdhulp’ een optie wordt voor alle jongeren in de jeugdzorg.”

    “274. Jongeren die volwassen worden, moeten hun zorg nu vaak opnieuw organiseren omdat zij te maken krijgen met andere zorgwetten. Daarom moet er werk van gemaakt worden om de verschillende zorgwetten beter op elkaar aan te sluiten.”

    “275. De Rijksoverheid moet erop toezien dat gemeenten voldoen aan hun verplichting om identiteitsgebonden jeugdhulp te bieden.”

    “276. Het toezicht op zorg voor jongeren moet beter. Dit is niet alleen een opgave voor gemeenten, maar vraagt ook om versterking en verbreding van de taken van de Jeugdautoriteit.”

    “277. De zwaarte van de problematiek in de jeugdzorg is met name toegenomen door veel (complexe) (v)echtscheidingen. Het is van belang om te investeren in stabiele gezinnen en duurzame relaties. Het bestaande landelijke aanbod van interventies op het gebied van relatie- en opvoedingsondersteuning moet toegankelijker worden gemaakt en steviger verankerd in het gemeentelijke beleid.”

    “278. Jongvolwassenen met een licht verstandelijke beperking dreigen tussen wal en schip te vallen. De samenleving wordt voor hen te ingewikkeld. Snellere en betere samenwerking tussen school, zorgaanbieder en gezin is nodig om te zien welke hulp en ondersteuning nodig is.”

    “279. Veel pleegouders ervaren een grote druk op het gezin, moeite in de omgang met de ouders van het pleegkind of problemen met het zorgsysteem. Tegelijkertijd is de vraag naar pleeggezinnen groot. De ondersteuning van pleegouders moet beter.”

    “6. Mannen die ongehuwd of ongeregistreerd samenwonen moeten actiever worden geïnformeerd over de consequentie dat zij niet automatisch delen in het ouderlijk gezag over een kind dat zij binnen die samenlevingsvorm krijgen.”

    “7. Een regeling van deelgezag is onwenselijk. De veronderstelde voordelen van (gedeeltelijk) ouderlijk gezag voor meer dan twee ouders wegen bovendien niet op tegen de te verwachten juridisering en het getouwtrek rond kinderen. Het schept voor kinderen meer verwarring terwijl hun opvoeding juist gebaat is bij stabiliteit.”

    “14. Kinderen moeten vanwege hun kwetsbare positie bij een scheiding voor de behartiging van hun belangen een onafhankelijke, professionele begeleider toegewezen krijgen.”

    “15. Het ouderschapsplan moet in het belang van het kind beter gehandhaafd worden.”

    “34. Er moeten goede voorzieningen voor pleegouders en adoptieouders zijn, zoals een toereikende pleegoudervergoeding en ruime verlofregelingen.”

    “36. Misstanden bij adoptie moeten worden tegengegaan. Nederland werkt bij interlandelijke adoptie niet samen met landen waar grote risico’s zijn dat er sprake is van kinderhandel. De Centrale Autoriteit, de organisatie die verantwoordelijk is voor interlandelijke adoptie, heeft hierbij een belangrijke rol.”

    “37. Het is voor geadopteerden belangrijk hun herkomst te weten. Adoptiekinderen moeten dan ook te allen tijde het recht hebben hun adoptiedossier in te zien.”

    “38. Nu de mogelijkheden voor interlandelijke adoptie zijn afgenomen, is het des te belangrijker om meer aandacht te vragen voor langdurige pleegzorg, vanwege het tekort aan pleegouders.”

    “39. Omdat kinderen het beste af zijn met een vader en een moeder, is het niet goed om bewust een situatie te creëren waarin een vader of moeder ontbreekt. Adoptie in andere situaties dan die waar sprake is van een pleeg-/adoptievader én -moeder, is dan ook onwenselijk.”

    “40. Het krijgen van kinderen mag nooit een commercieel project zijn. Commercieel draagmoederschap is daarom niet gewenst. Bij draagmoederschap uit het buitenland is in veel gevallen sprake van uitbuiting en het om financiële redenen ondergaan van een belastende behandeling als eiceldonatie. Dat is ongewenst, mede gezien de gevolgen die het voor kinderen heeft.”

    “41. Uitzonderingssituaties daargelaten wordt het welzijn van het kind het beste gediend als het opgroeit in zijn natuurlijke omgeving, bij zijn eigen vader en moeder. Dat is ook de les uit adoptie. Het registreren van de 'ontstaansgeschiedenis’ van een kind is geen volwaardig alternatief voor deze situatie. Adoptie anders dan in noodsituaties wordt daarom tegengegaan. Indien een kind niet bij zijn eigen ouders opgroeit, is het wel van belang dat hij inzicht kan krijgen in zijn genetische verwantschap.”

    “42. Het is ongewenst de regels te versoepelen ten aanzien van het aantal ouders dat kinderen hebben. Uitgangspunt is dat er geen regeling voor het zogenoemde meerouderschap komt. De overheid dient niet-natuurlijke gezinssituaties te zien als zo beperkt mogelijke uitzondering, niet als ideaal.”

    “315. De overheid zorgt ervoor dat het niet langer mogelijk is om (anoniem) buitenlands donorzaad te gebruiken bij kunstmatige bevruchting. Kinderen hebben het recht te weten wie hun biologische ouders zijn.”

    “316. Het verbod op commercieel draagmoederschap blijft gehandhaafd. Nederland spant zich in om een einde te maken aan de praktijk in landen waar (commercieel) draagmoederschap nu wel is toegestaan.”

    “43. Rechters dienen meer tijd te krijgen om maatregelen van kinderbescherming zorgvuldig te onderzoeken en te behandelen, onder meer door het inzetten van deskundigen en een second opinion.”

    “44. Er is extra inzet nodig om in de jeugdbescherming meer personeel te werven en (jong) personeel te behouden. Bij dit zware en verantwoordelijke werk past een goed salaris.”

    “45. Ouders dienen meer rechtsbescherming te krijgen als ze geconfronteerd worden met ingrijpende maatregelen van kinderbescherming. Hun positie zou ten minste vergelijkbaar moeten zijn met die van burgers in het bestuursrecht.”

    “46. De kwaliteitskeuring van instellingen die kinderbescherming uitvoeren (gecertificeerde instellingen) moeten ook aandacht besteden aan zorgvuldige dossiervorming, iets waaraan het nu nogal eens ontbreekt.”

    “47. Gecertificeerde instellingen moeten hun inzet meer en beter afstemmen op de werkzaamheden van gemeentelijke wijkteams.”

    “48. Groepsplannen die de verantwoordelijkheid voor jongeren primair binnen de eigen familie of sociale kring beleggen, verdienen meer aandacht om het aantal maatregelen van kinderbescherming te kunnen beperken.”

    “49. Het aantal schakels in de keten van kinderbescherming kan en moet minder.”

    “50. Wachtlijsten in deze sector zijn onacceptabel als het gaat om de uitvoering van rechterlijke maatregelen voor kinderbescherming. De rechters moeten desnoods op kosten van gemeenten vervangend aanbod kunnen inschakelen."

  • Onderwijs

    “52. Bijzondere scholen dienen bij het toelaten van leerlingen en het benoemen van personeel eisen te kunnen (blijven) stellen die nodig zijn om recht te doen aan de identiteit van de school.

    “55. Burgerschapsonderwijs moet gericht zijn op respectvolle bejegening van alle mensen en erkenning van de democratische rechtsstaat. Het is ontoelaatbaar dat de overheid opvattingen van scholen gaat censureren.”

    “58. Het openbaar onderwijs moet voor alle leerlingen voldoende aandacht besteden aan godsdienstige en levensbeschouwelijke stromingen. Daarvoor is onder meer contact nodig met (lokale) kerken.”

    “61. Leerlingenvervoer is erg belangrijk om passend onderwijs te realiseren. Het vervoer is beschikbaar ongeacht de godsdienstige of levensbeschouwelijke achtergrond van de leerlingen.”

    “62. De huisvestingsnormen voor scholen moeten beter aansluiten op het aantal vierkante meters dat voor het uitvoeren van passend onderwijs nodig is.”

    “63. De samenwerkingsverbanden passend onderwijs dienen binnen een redelijke termijn voor elke leerling een plek aan te kunnen bieden als scholen er onderling niet uitkomen.”

    “64. Ook passend onderwijs wordt uit de middelen van het Rijk bekostigd en dient voor ouders dus kosteloos te zijn. De inspectie moet toezien dat scholen geen eigen bijdrage van ouders vragen voor ondersteuning met betrekking tot onder meer hoogbegaafdheid.”

    “67. Er zijn heldere afspraken nodig tussen gemeenten en samenwerkingsverbanden over het bundelen van budgetten voor zorg en onderwijs.

    “68. Leerlingen die zijn uitgevallen, dienen meer kansen te krijgen om weer een opleiding op te pakken.”

    “69. De samenwerking tussen basisscholen, peuterspeelzalen en kinderopvang dient veel eenvoudiger te worden, bijvoorbeeld als het gaat om de inschrijving van kinderen. De leerplichtige leeftijd moet overigens niet verlaagd worden.”

    “71. De eindtoets is vooral nuttig voor het bepalen van een goede plek in het voortgezet onderwijs, meer gewicht dient deze niet te krijgen.”

    “79. Om kinderen en jongeren meer te laten lezen en analfabetisme en laaggeletterdheid te verminderen, zou de regering meer programma’s dienen te ondersteunen die zich richten op de relatie tussen ouders en kinderen (bijvoorbeeld stimuleren van voorlezen). Daarbij is bijzondere aandacht nodig voor de onderbouw van het vmbo en voor sociaaleconomisch kwetsbare groepen.”

  • Seksuele uitbuiting

    “51. Het aantal jongeren dat in gesloten jeugdzorg verblijft, dient zoveel mogelijk beperkt te worden.”

    “270. […] Niet elke opvoedvraag hoeft uit te monden in een intensief hulptraject. De Rijksoverheid maakt daarom bestuurlijke afspraken met gemeenten om het aanbod van lichtere jeugdzorg te beperken, zodat er meer budget overblijft voor complexere jeugdzorg.”

    “273. Niet de leeftijd, maar ‘zelfstandigheid’ moet het criterium zijn om de jeugdzorg te verlaten. Veel jongeren die 18 jaar worden, kunnen nog wel wat hulp en ondersteuning gebruiken als opmaat naar hun volwassenheid. De SGP wil daarom dat de harde leeftijdsgrens verdwijnt en een vorm van ‘verlengde jeugdhulp’ een optie wordt voor alle jongeren in de jeugdzorg.”

    “274. Jongeren die volwassen worden, moeten hun zorg nu vaak opnieuw organiseren omdat zij te maken krijgen met andere zorgwetten. Daarom moet er werk van gemaakt worden om de verschillende zorgwetten beter op elkaar aan te sluiten.”

    “305. Het aanbod van lesmethodes op het gebied van seksuele vorming in het (speciaal) basis- en voortgezet onderwijs is eenzijdig en wordt al jarenlang sterk gedomineerd door Rutgers, een kennisinstituut op het gebied van seksualiteit. Scholen, ouders en jongeren hebben behoefte aan lespakketten die seksualiteit verbinden aan stabiele en duurzame relaties van liefde en trouw.”

    “403. Het is buitengewoon onbevredigend dat veel zaken geseponeerd worden omdat er onvoldoende bewijs is of er te veel zaken op de plank liggen. Voorkomen moet worden dat zaken geseponeerd worden omdat er te weinig menskracht voor de opsporing beschikbaar is. Bijvoorbeeld zeker ook bij zedendelicten! Onderzocht moet worden hoe hier verbetering mogelijk is.”

    “420. Er is sprake van een sterke verwevenheid tussen onder- en bovenwereld op het terrein van onder meer drugshandel, mensenhandel en wapenhandel. Er dient veel meer geïnvesteerd te worden in de bestrijding ervan en vergroting van de specialistische kennis bij politie en rechterlijke macht. Ook pogingen om te infiltreren in gemeentebesturen moeten streng aangepakt worden.”

    “424. Verscherping van controle op bezit van of handel in drugs en andere verdovende middelen is nodig. Dat geldt nog sterker voor de publicatie en verspreiding van kinderporno.”

    “436. Nieuwe wetgeving rond prostitutie en mensenhandel laat al veel te lang op zich wachten. Het is zaak dat de regels spoedig worden aangescherpt.”

    “439. De inzet van gemeenten om op te treden tegen misstanden op het terrein van prostitutie en mensenhandel verdient versterking. Die handhaving en opsporing moet ook digitaal plaatsvinden.”

    “440. De strijd tegen mensenhandel en uitbuiting moet samen met andere (Europese) landen worden opgevoerd.”

    “441. De Algemene verordening gegevensbescherming is nog steeds een grote hinderpaal om de strijd tegen mensenhandel goed aan te pakken. Dat moet snel veranderen om het geringe aantal zaken dat wordt opgelost te verhogen.”

    “443. De beschikbaarheid van schadelijk materiaal in gevangenissen en klinieken moet worden tegengegaan. Dat geldt zeker ook als het gaat om kinderporno.”

    “481. De overheid neemt effectieve maatregelen om te voorkomen dat (minderjarige) asielzoekers uit de opvang ‘verdwijnen’.”

    “496. Het is aangrijpend dat er zoveel asielzoekers om het leven komen op de Middellandse Zee. Mensenhandel en mensensmokkel moeten daarom keihard worden aangepakt. Nederland maakt hiervoor zowel op nationaal als op Europees niveau extra middelen vrij.”

  • Jeugdstrafrecht

    “384. Lokale politieposten zijn belangrijk in de strijd tegen de kleinere criminaliteit. Agenten zijn dan beter bekend met de lokale situatie en de politiepost is voor burgers beter bereikbaar. Er moet daarom worden geïnvesteerd in meer lokale posten en langere openingstijden. Een lokale politiepost kan tevens in een wijkgebouw gevestigd worden. De bereikbaarheid en laagdrempeligheid voor inwoners spelen hiervoor een belangrijke rol. Om fysiek aanwezig te kunnen zijn bij alle bevolkingsgroepen in de samenleving kan een wijkagent actief op pad gaan en online spreekuur houden voor jongeren.”

  • Participatie

  • Discriminatie

    “444. De overheid stimuleert en faciliteert dat elke leerling kennismaakt met de (geschiedenis van de) Joodse gemeenschap door bezoek aan een relevante organisatie of museum, bijvoorbeeld het Joods cultureel kwartier in Amsterdam.”

    “445. Er komt bij de politie en het OM een speciale eenheid voor de bestrijding van antisemitisme. Bij de aangifte wordt antisemitisme een duidelijk zichtbare, afzonderlijke categorie.”

    “446. De nationaal coördinator antisemitisme presenteert jaarlijks zijn verslag in het parlement.”

  • Ontwikkelingssamenwerking

    “1011. De bescherming van het leven wordt een doel van het buitenlandbeleid. Nederland moet verzet steunen tegen (gedwongen) abortussen en abortus op meisjes om hun geslacht (gendercide). Niet organisaties die abortus (helpen) faciliteren, maar hulporganisaties die het leven beschermen kunnen rekenen op overheidsfinanciering. Nederland stelt zich ook teweer tegen de opdringerige genderideologie binnen onder meer de EU en de VN. Tussen man en vrouw bestaan normaliter, alleen al biologisch gezien, ‘gewoon’ verschillen. Die moeten we waarderen en niet willen onderdrukken.”
    * Dit programmapunt heeft mogelijk een negatief effect op kinderrechten.

    “1014. Nederland moet het voortouw nemen in de strijd tegen moderne slavernij, zoals gedwongen prostitutie, kindhuwelijken of kinderarbeid. Wereldwijd moeten nog altijd naar schatting 40 miljoen mensen onvrijwillig arbeid verrichten. De globalisering van productie en consumptie maakt dat ook Nederlandse (ver)kopers hierin een verantwoordelijkheid hebben. Nederland moet eerlijke handel stimuleren, maar ook de rechtsstaat helpen versterken in landen waar die slavernij nog steeds bestaat. Bijvoorbeeld door het delen van kennis inzake opsporing, berechting en bestraffing van criminelen.”

    “1051. Internationaal verantwoord ondernemen (IMVO) wordt verder gestimuleerd als een effectieve manier om hulp en handel te combineren. Op EU-niveau kunnen landen hun IMVO beleid met elkaar stroomlijnen.

    - Uitgangspunt is dat bedrijven geen ‘vijand’ maar partner zijn. Convenanten zijn wenselijk. Als deze echter aantoonbaar niet werken dan kan voor risicosectoren (zoals de elektronica- of mijnsector of productie van rubber en tabak) flankerende wetgeving overwogen worden. Die wetgeving moet effectief, uitvoerbaar en handhaafbaar zijn.

    - Bedrijven die ‘IMVO-vriendelijk’ ondernemen worden (fiscaal) beloond maar ernstige nalatigheid kan worden beboet. Dit stimuleert bedrijven om hun zorgplicht serieus nemen inzake bijvoorbeeld kinderarbeid of moderne slavernij in hun productieketens of in die van toeleveranciers. Het gaat ook tegen dat bedrijven commercieel (willen) profiteren van conflictsituaties.

    - Fiscale maatregelen kunnen ook breder ingezet worden voor meer private betrokkenheid van burgers en organisaties bij (publiek) ontwikkelingsbeleid.”

    “1055. In die context blijft het ‘dienen van de naaste’ ook na 2020 van groot belang. Het is aannemelijk dat ontwikkelingssamenwerking (‘ODA’) heeft bijgedragen aan het oplossen van ontwikkelingsvraagstukken, maar er is nog veel te doen. De 0,7%-norm die in OESO-verband is afgesproken blijft een waardevol ijkpunt. […]”

    “1057. Binnen het ontwikkelingsbeleid moet de ondersteuning van de allerarmsten en meest kwetsbaren (zoals weduwen, kinderen en mensen met een beperking) voorrang hebben. Een belangrijk aandachtspunt is een rechtvaardige inkomensverdeling binnen en tussen landen.”

    “1059. Juist de allerarmsten en minderjarigen zijn vaak slachtoffer van (seksuele) uitbuiting en geweld. Nederland bevordert naleving van internationale afspraken en een goed functionerend rechtssysteem in landen waar dit onvoldoende het geval is. Daar ligt een duidelijke taak voor onze ambassades.”

    “1062. Om ieder kind en iedere jongere een goede start te bieden, steunt Nederland goed basis- en vakonderwijs. Dan leren zij een vak en krijgen ze de ‘tools’ in handen om, wellicht via een eigen onderneming, te bouwen aan hun toekomst. Werkgelegenheid kan ook migratie en een ‘braindrain’ helpen voorkomen.”

    “1063. Het beleid op het gebied van seksualiteit en voortplanting (‘SRGR’) dient zich te richten op het verbeteren van de basale gezondheidszorg en een verantwoorde omgang met relaties en gezinsvorming. Het moet niet gaan om het bevorderen van een ‘vrije’ seksuele moraal en seculiere, westerse ideologie, maar om inbedding van seksualiteit in relationele verantwoordelijkheid en trouw tussen man en vrouw. Dat is echt gezond beleid en beschermt vrouwen, kinderen en gezinnen. De SGP wenst dat dit ook wordt bepleit binnen de EU en de VN.”

    “1064. ‘Genderbeleid’ mag niet gaan om verspreiding van een ideologie die verschillen tussen man en vrouw ontkent of kleine minderheden als uitgangspunt neemt. Het gaat om zaken als het tegengaan van geweld tegen vrouwen en meisjes (inclusief ‘gendercide’) en het toerusten van vrouwen in economisch opzicht.”

    “1068. Nederland moet nood- en humanitaire hulp en verzoeningsprojecten ruimhartig steunen. In noodgevallen komt dit budget bovenop het reguliere budget voor ontwikkelingssamenwerking. In landen als Syrië en Jemen mag de onschuldige bevolking niet de dupe worden van de cynische machtsstrijd tussen agressors.”

    “1070. Het ontwikkelingsbudget wordt niet langer uitgehold door het in te zetten voor opvang van asielzoekers in Nederland.”

    “1106. Programma’s voor ‘seksuele en reproductieve gezondheid’ zijn gericht op het beschermen van vrouwen en meisjes tegen (seksueel) geweld; niet op bevordering van recht op abortus en andere seculiere ‘verworvenheden’.”

    “1109. Het tegengaan van mensenhandel, moderne slavernij en (seksuele) uitbuiting – zeker van kinderen – verdient topprioriteit. EU-lidstaten werken intensief samen om te voorkomen dat vrouwen (onder druk of dwang) in de prostitutie terecht komen. Er komt een Europees uitstapprogramma voor prostitutie naar het model dat in Zweden wordt gehanteerd.”

  • Migratiebeleid

    “448 […] Opvang en toetsing van asielzoekers dienen primair plaats te vinden in de herkomstregio.”

    “449. Internationale verdragen moeten dusdanig worden herzien zodat asiel géén recht inhoudt om naar een land van keuze te reizen.”

    “451. Het beoordelen van asielverzoeken moet efficiënter en sneller. Zo vroeg mogelijk in de asielprocedure wordt bepaald of er sprake is van asielverzoek dat waarschijnlijk kan worden ingewilligd, of zeker niet. Het vervolg van de procedure en de opvang worden daar vervolgens op afgestemd.”

    “452. De SGP ziet geen heil in algemene pardonregelingen. Dergelijke regelingen werken ondermijnend voor ons asielbeleid en pakken onrechtvaardig uit voor degenen die wel meewerken aan uitzetting.”

    “454. De organisaties die het asielbeleid in Nederland uitvoeren, moeten structureel meer geld en personeel ter beschikking krijgen. Zij worden efficiënt, robuust en wendbaar, zodat de asielketen tegen een stootje kan als het aantal asielzoekers onverwacht fluctueert. De SGP pleit ervoor dat er een speciale ‘crisisorganisatie’ wordt gecreëerd, die in werking treedt wanneer er (plotseling) sprake is van een grote toename van asielzoekers.”

    “455. De asielprocedure en de opvang van asielzoekers in Nederland wordt sober en zo doelmatig als mogelijk vormgegeven.”

    “465. De mogelijkheden om gezinsleden te laten delen in de verblijfsvergunning van de asielzoeker worden strikter ingevuld. Vergeleken met andere EU-lidstaten hanteert Nederland nu uitzonderlijk soepele vereisten voor gezinshereniging. De huidige Europese regels bieden genoeg ruimte voor een strikter beleid. Denk bijvoorbeeld aan het instellen van een wachttermijn van twee jaar, zodat iemand na verkrijging van een verblijfsvergunning niet direct familie kan laten overkomen. In een noodsituatie kan hierop uiteraard een uitzondering worden gemaakt.”

    “478. Er wordt ingezet op zo min mogelijk verhuizingen voor de asielzoeker, met name voor kinderen. Er worden maatregelen genomen om de opvang van alleenstaande minderjarige asielzoekers (amv’s) te verbeteren.”

    “481. De overheid neemt effectieve maatregelen om te voorkomen dat (minderjarige) asielzoekers uit de opvang ‘verdwijnen’.”

    “464. Bij de eerste asielaanvraag kunnen zogenaamde ‘schrijnende omstandigheden’ worden meegewogen. Op grond hiervan kan de IND een uitzondering maken op het reguliere vreemdelingenbeleid. Van deze mogelijkheid moet ruimhartig gebruik worden gemaakt. Een dergelijk discretionair besluit is echter nadrukkelijk geen recht, maar een gunst.”

  • Veel kindspecifieke voorstellen/ standpunten, met een versterkend effect op de positie van (kwetsbare) kinderen.
    De partij versterkt de implementatie van kinderrechten

  • Een aantal kindspecifieke voorstellen/ standpunten met een versterkend effect op de positie van (kwetsbare) kinderen.
    De partij draagt in zekere mate bij aan de versterking van kinderrechten

  • Algemene voorstellen/ standpunten waarvan wél een positief effect op (kwetsbare) kinderen te verwachten is.

    Hoewel de partij oog heeft voor het betreffende thema, ontbreekt het kinder-rechtelijk
    perspectief

  • Algemene voorstellen/ standpunten, waarvan het positieve effect op (kwetsbare) kinderen onduidelijk is.

    De partij draagt niet of nauwelijks bij aan de versterking van kinderrechten

  • Voorstellen met een negatief effect op de positie van (kwetsbare) kinderen.

    De partij verzwakt de implementatie van kinderrechten

  • Geen enkel standpunt of beleidsvoorstel op dit thema.

Back To Top